Beeld je in dat door dit landschap een tram reed… nog niet zo heel lang geleden. Een stukje oude trambedding tussen de beide Lennikse dorpskernen werd zelfs voor fietsers en wandelaars heraangelegd! De voormalige tramlijnen in de streek bevonden zich meestal aan de rand van steen- en andere grote wegen. Soms reed de tram in een aparte bedding, dwars door velden en groen. De laatste tram op de lijn Brussel-Lennik-Leerbeek reed uit op 1 september 1972. De rijtuigen waren versierd en veel trouwe klanten wilden nog een laatste keer de rit meemaken. Om 22.39 uur vertrok de tram in Brussel, om 01.30 uur kwam hij aan in Leerbeek. De treinbestuurder en de twee ontvangers werden onderweg enkele keren getrakteerd op een biertje terwijl de tramliefhebbers herinneringen ophaalden en er bovendien muziek werd gemaakt op de tram. In Sint-Kwintens-Lennik stond de tram zelfs een tijd stil om het moment van afscheid nog te rekken…
Op je tocht kruis je ook tweemaal de biodiverse vallei van de Slagvijverbeek. Aan de Slagvijvers vind je dan weer de restanten van de oude Slagvijvermolen, en het sluiswerk aan de vijvers. Tot medio vorige eeuw werd hier nog gemaald. De hele vallei van de beek is waardevol natuurgebied. Natuurbeschermers bezitten momenteel een aantal percelen in de vallei en hopen er nog meer te verwerven om aan gericht natuurbeheer te kunnen doen. In de middeleeuwen was Lennik een gegeerd bedevaartsoord. Pelgrims kwamen van ver om Onze-Lieve-Vrouw te aanbidden. Al eens gehoord van Onze-Lieve-Vrouw-Lennik? Het is de oude naam van Sint-Kwintens-Lennik. Het succes in Lennik begon te tanen in de vijftiende eeuw toen het naburige Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek een succesvol pelgrimsoord werd. De Heren van Gaasbeek beslisten om Lennik dan maar een andere patroonheilige te geven. Sint-Kwinten gaf het bedevaartsoord een nieuw impuls.
Lennik is nooit uitgegroeid tot een stad, al zag het er in de vroege middeleeuwen nochtans rooskleurig uit. Er was een burcht, een kerk, een markt, een schepenbank voor Lennik zelf en een hoofdschepenbank voor het ruime gebied errond. In de dertiende eeuw begonnen de steden zich te ontwikkelen en scheepvaart zorgde voor een bloeiende handel. In Lennik was er echter geen bevaarbare rivier en dat deed de verdere ontwikkeling de das om. Vandaag is er geen spoor meer van de middeleeuwse burcht, maar Lennik kreeg halfweg de 18de eeuw wel een fraaie compensatie met het mooi bewaarde rococo-kasteel De Man d’Attenrode. Kort na de start van de wandeling ligt het op je linkerkant, vlak na de afslag richting Gaasbeek. Even verder passeer je een geelbruin boerenhuis. Men vermoedt dat in de Middeleeuwen op deze plaats de Lennikse Schepenbank vergaderde. Schepenbanken bestuurden een plaats, in opdracht van de landheer. Aan het hoofd stond een schout, meier of baljuw, die werd bijgestaan door schepenen. Ze spraken recht, bestuurden, regelden erfeniskwesties en regelden de overdracht van onroerende goederen.
Wandel mee door de prachtige holle weg langs de tweede Witseboom die het Pajottenland rijk is: bovenop de Grote Vijverseleweg! Herken je de boom die even verschijnt in het beginmuziekje van elke aflevering? Iets later bereik je het Gaasbeekse dorpsplein, omzoomd met lindes met in het midden een historische schandpaal. Hoe tegengesteld kan een plek zijn: een reputatie van grandeur met het befaamde kasteel en het ridderlijke bospark, en toch zo klein en – zeldzaam geworden in Vlaanderen – charmant gebleven!
Flaneer langs het indrukwekkende Kasteel van Gaasbeek. De grote Brabantse leeuw boven de toegangspoort, de grachten en de torens geven de burcht iets onvervalst middeleeuws, alsof er elk moment een stoere ridder te paard de poort zou uitrijden. Maar schijn bedriegt. Het huidige kasteel kreeg zijn romantische vorm pas een dikke honderd jaar geleden. Het domein is daarentegen wel authentiek. De eerste stenen burcht werd in de elfde eeuw gebouwd op de plaats van een houten vestiging.
De Fransen onder Lodewijk XIV verwoesten de achterliggende torens en muren in de tweede helft van de 18de eeuw. Alexander-Louis Scockaert, heer van Gaasbeek, ontmantelde ze verder in 1714 om het kasteel meer het uitzicht van een buitenverblijf te geven. Markiezin Marie Arconati Visconti tenslotte begon in 1887 aan de voorlopig laatste restauratiefase. Ze gaf de burcht zijn middeleeuwse allures ‘terug’. Op het binnenplein werd een tuin in renaissancestijl aangelegd. De droge grachten rond het kasteel verwijzen naar het defensiesysteem van de vroegere burcht. De markiezin had geen kinderen en op haar oude dag besloot ze het kasteel aan de Belgische staat te schenken. Vandaag is het kasteel in handen van de Vlaamse overheid. De lange, rechte bosdreven zijn nu perfecte wandelwegen, maar in de 17de eeuw bedoeld als brandgangen en als toegangswegen voor houthakkers. Jagers maakten dankbaar gebruik van het open schootsveld dat de gangen hen boden… Opgepast voor overstekend wild! Op het laagste punt van het parkbos vind je enkele vijvers. Ze dienden destijds als kweekvijvers. Verse zeevis aanvoeren met paard en kar was geen gemakkelijke klus en de kasteelheren lustten best wel een visje. Ook wijn ging er goed in. De (gereconstrueerde) wijngaard van het domein is zeshonderd jaar oud. Nog steeds levert de wijngaard zeshonderd kilo druiven per jaar op, goed voor een vijfhonderdtal flessen.
Verken het slagveld waar de middeleeuwse Vlamingen in 1333 het onderspit dolven tegen de Brabanders van toen. Het treffen vond plaats op en rond het driesplein van het onlangs bij wet beschermde gehucht ’t Nelleken. Naar ten Nelleken gaan betekent hier nog steeds ‘schrikwekkende zaken meemaken’. Vandaag zie je hier vooral ‘verschrikkelijk mooie landschappen’!
Een dries is een middeleeuwse nederzettingsvorm in Vlaanderen. De huizen werden rond het plein gebouwd dat als gemeenschappelijke weide dienst deed. Op het plein bouwen was niet toegelaten. Meestal had een dries een driehoekige vorm, maar in sommige streken had het middenplein eerder een langwerpige vorm. Er was ook vaak een drinkpoel bij een dries. Vandaag vind je hier en daar in Vlaanderen nog bewaarde driezen, zowel binnen als buiten dorpskernen. De pleinen zijn in dat geval meestal openbaar groen. Talrijker zijn de plaats- en straatnamen die verwijzen naar een dries. Op oude kaarten vind je vaak de plaats terug waar het plein zelf lag. Ook eigennamen verraden de plek waar iemands voorouders ooit woonden (Vandendriessche).
Bijna was het verderop gelegen schitterende kasteel de Neufcour, midden in het groen, niet meer. Decennia lang stond het te verkrotten, een schandvlek in het dorp. Het gebouw dateert van eind achttiende, begin negentiende eeuw. Vanaf 1928 in klerikale handen en gebruikt als jongenspensionaat, werd het kasteel in de Tweede Wereldoorlog beschadigd door een bom. Het gebouw bleef verweesd achter en in de jaren zeventig stortte zelfs de oostelijke vleugel in. Gelukkig ontfermde een privépersoon zich in 2005 over het gebouw. Hij kocht het pand van de zusters en startte prompt een reddingsplan. De vruchten daarvan? Die kan je plukken, al wandelend langs het kasteel en hoogstamboomgaard met streekeigen fruit... Terug in Sint-Kwintens-Lennik passeer je ná het marktplein een geelbruin boerenhuis op je rechterkant. Men vermoedt dat in de Middeleeuwen op deze plaats de Lennikse Schepenbank vergaderde. Schepenbanken bestuurden een plaats, in opdracht van de landheer. Aan het hoofd stond een schout, meier of baljuw, die werd bijgestaan door schepenen. Ze spraken recht, bestuurden, regelden erfeniskwesties en regelden de overdracht van onroerende goederen. Iets verder in de straat vind je een ander 18de-eeuws kasteel: het mooi bewaarde rococo-kasteel De Man d’Attenrode. En zo kreeg Lennik, in ruil voor zijn verdwenen middeleeuwse burcht, dan toch terug een kasteel…
Het Pajottenland is van oudsher een vruchtbare landbouwstreek en dat merk je heel goed op deze wandeling. Uitgestrekte kouters, bezaaid met imposante hoeves en kleine dorpen. Maïs, granen, aardappelen en in mindere mate suikerbieten zijn de belangrijkste teelten op de leemgronden van de kouters. Het is vooral veevoederproductie, slechts tien procent van de gewassen dienen om onze voedingsproducten te maken.
In de valleien vind je vooral graslanden met populieren en kleine landschapselementen (KLE’s) zoals knotwilgen, hagen, poelen, bomenrijen, houtkanten, steilranden en holle wegen. Deze kleine landschapselementen vormen meteen het belangrijkste groene aspect van het Pajottenland. Vroeger werden mei- en sleedoornhagen uit pure noodzaak aangeplant. Ze vormden een scherm om het loslopende vee van de akkers te houden. Vandaar ook de naam ‘koutergat” , de opening in de haag of houtkant waar je de kouter binnenkon via een poort of boom. Sommigen hagen die er vandaag nog staan zijn al honderden jaren oud.
Op de leembodems van het Pajottenland groeien en bloeien al eeuwen talrijke hoogstamboomgaarden. Jefke, Trezeke Meyers, Jacques Lebel en Joseph Musch zijn maar enkele van de tot de verbeelding sprekende fruitrassen die de streek als fruittuin van Brussel beroemd maakten. De vroegere tramlijnen door het gebied zorgden er vanaf het begin van de 20e eeuw voor dat dit fruit makkelijker in de hoofdstad geraakte. Veel boomgaarden en hagen zijn over de jaren heen verdwenen door lintbebouwing en vertuining, het fenomeen waardoor veel weiland en boomgaarden ingericht werden tot smetteloos onderhouden tuinen met veel ‘pelousegras’ en uitheemse struiken en bomen, zoals dennen, laurierkers, rododendron en sparren. Fruitteelt werd enkel nog rendabel op laagstambomen. Ook in de landbouw zijn veel perceelsgrenzen, die vaak gevormd worden door KLE’s, verdwenen door schaalvergroting en ruilverkaveling. Een groot veld bewerken zonder obstakels is nu eenmaal makkelijker dan kleine percelen met erlangs hagen, poelen, knotbomen en houtkanten, of hoogstamfruitbomen erop. Nochtans zijn deze natuurlijke elementen belangrijk voor plant en dier: het zijn groene plekjes tussen de grotere bossen en natuurgebieden waar fauna en flora een thuis vinden en waarlangs ze zich kunnen verplaatsen van de ene naar de andere plek. Een streekeigen haag lokt bovendien andere zeldzame planten. Vogels vinden er insecten en beschutting en vleermuizen gebruiken hagen om zich te oriënteren.
In de jaren 1970 wilde de regering een nieuwe snelweg door dit stuk Pajottenland trekken. De A8 zou rakelings langs de verkaveling Olmenpark passeren. Protestacties tegen deze autosnelweg doorheen het hart van het Pajottenland hebben er voor gezorgd dat deze A8 nu langs Halle en Edingen, en verder naar Doornik, loopt. Op je tocht van Lennik naar Schepdaal loop je even door de wijk Olmenpark, die een lange lijdensweg kende bij haar ontstaan op het einde van de jaren 1960: wegenis- en verlichtingswerken die lang op zich lieten wachten, waterleidingsproblemen, administratieve problemen…
In Lennik de pracht, in Sinte Mettes de macht. Sint-Kwintens mocht gerust pronken met zijn kerk en kleinstedelijke allures, zolang de grote en rijke boerenhoven in Sint-Martens het maar voor het zeggen hadden. Een mooi verstandshuwelijk! Intussen pronkten ‘deze’ van Sint-Kwintens als ‘Windheren’, om zich te onderscheiden van de ‘Boeren’ van Sint-Martens!
Nu broederlijk verenigd in een fusiegemeente – en zelfs aaneengegroeid, bestond er vroeger een rivaliteit tussen beide Lenniken. Zo is er een legende die uitlegt waarom Sint-Kwintens Sint-Kwintens is, en Sint-Martens, Sint-Martens. Beide heiligen raakten het maar niet eens welke parochie wiens naam zou dragen, en dus vonden ze er niet beter op dan de kwestie voor eens en voor altijd onderling te regelen. Ze organiseerden een snelheidswedstrijd van de kerk van (wat toen nog niet zo heette) Sint-Martens naar de kerk van (wat later zou worden) Sint-Kwintens. Sint-Maarten vertrok op zijn paard, Sint-Kwinten te voet. Toen het paard aan de Slagvijverbeek kwam, weigerde het dier koppig om over het water te springen, hoe zeer Sint-Maarten het ook probeerde. Sint-Kwinten haalde hem intussen in, sprong over de beek, en kwam als eerste bij de kerk van Sint-Kwinten die dus voortaan zijn naam zou dragen.
Bewoners van Brussel apprecieerden dan weer dat de Lennikenaren stro in brand staken telkens een vijandelijk leger Lennik passeerde om Brussel aan te vallen – zo waren ze gewaarschuwd voor het naderend onheil. Maar waren de Strobranders bij de enen geliefd, in Gooik – aan de andere kant van Lennik – stonden ze te boek als de Barbaren. En dat is dan weer te wijten aan een uit de hand gelopen ontmoeting van twee processies uit beide dorpen in 1688, met veel bloedvergieten tot gevolg…
Straks bereik je Schepdaal dat vroeger, samen met Sint-Martens-Lennik, één grote parochie vormde. Schepdaal scheurde zich halverwege de 19de eeuw af en nam daarbij meer dan de helft van de inwoners van Sint-Martens mee!
Maar eerst wandel je door het kasteelpark van Gaasbeek en langs dat van Groenenberg. Flaneer langs het indrukwekkende Kasteel van Gaasbeek. De grote Brabantse leeuw boven de toegangspoort, de grachten en de torens geven de burcht iets onvervalst middeleeuws, alsof er elk moment een stoere ridder te paard de poort zou uitrijden. Maar schijn bedriegt. Ooit een ridderversterking maar volledig verwoest in de 18de eeuw, herbouwde men een replica met middeleeuwse allures vanaf 1887. De lange, rechte bosdreven zijn nu perfecte wandelwegen, maar in de 17de eeuw bedoeld als brandgangen en als toegangswegen voor houthakkers. Jagers maakten dankbaar gebruik van het open schootsveld dat de gangen hen boden… Opgepast voor overstekend wild! Domein Groenenberg wordt vaak in één adem genoemd met het kasteel van Gaasbeek - de twee domeinen liggen vlak naast elkaar – maar er zijn veel verschillen. Gaasbeek is eeuwenoud, het kasteel Groenenberg werd pas in het begin van de twintigste eeuw gebouwd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd kasteel Groenenberg bezet door de Duitse troepen. De Britse en Amerikaanse soldaten hielden er nadien lelijk huis. Het kasteel bleef verkommerd achter tot de Vlaamse gemeenschap het kocht in 1981 en het volledige domein renoveerde en herinrichtte volgens de oorspronkelijke plannen. Het kasteel zelf is niet toegankelijk, daar huisvesten diensten van de Vlaamse overheid. Opvallend in dit domein zijn de rododendrons aan de voet van de hoge bomen. Ze zijn er niet alleen voor hun schoonheid, maar ze vormen ook een handigheidje om de bosreuzen gezond te houden. Beuken halen hun eten en drinken immers uit de bovenste grondlaag. Als bezoekers de bomen willen ‘knuffelen’, stampen ze meteen deze grondlaag tot ‘beton’ aan, waar regenwater nauwelijks doorsijpelt. De rododendrons houden nieuwsgierigen dus op veilige afstand van de beuk. Bovendien waaien de afgevallen beukenbladeren niet weg doordat de rodododendrons ze bijeen houden. Zo verteren ze ter plaatse en kan de beuk er zich opnieuw mee voeden.
Je ziet de sierlijke spits van de Sint-Kwintenskerk al van ver boven het landschap uitpriemen. De hoge, smalle toren van Lennik wedijvert met het majestueuze standbeeld van ‘Prins’, het Brabantse trekpaard, om de titel ‘symbool’ van het dorp. Wist je trouwens dat ‘Brabants’ en ‘Belgisch’ trekpaard synoniemen zijn? Toen het paard naar alle delen van de wereld werd uitgevoerd, werd voor de uitstraling van het stamboek voor ‘Belgisch’ in plaats van ‘Brabants’ gekozen. Op je tocht doe je vijf dorpen aan. Vier daarvan maken de gemeente Lennik uit, eentje werd door de fusies van 1977 bij Dilbeek gevoegd (Schepdaal). Wie de gemeentegrenzen bekijkt, ziet echter dat het grondgebied van Lennik tot aan de huizen van de Schepdaalse dorpskom komt. Aan de rand, op Lennikse kant, vóór je Schepdaal binnenwandelt, ligt het 17 ha grote kasteeldomein Fontval, nu eigendom van een heuse zorginstelling, de vzw Levenslust. Het was de toenmalige socialistische coöperatieve verzekeringsmaatschappij Prévoyance Sociale – Sociale Voorzorg (PS) die in 1956 het domein kocht. In het kasteel werden enkele (Franstalige) kinderen opgevangen, maar er was ook een internaat en een school in ondergebracht. Jaren gingen voorbij. Vanaf 1967 breidde het domein gevoelig uit met nieuwbouw om alle voorzieningen deftig te kunnen huisvesten. In 1970 verhuisden de Franstalige kinderen naar een domein in Ukkel, terwijl de Nederlandstalige kinderen in Levenslust bleven. Vandaag is Levenslust vzw een organisatie die zich richt tot jongens en meisjes van 6 tot 21 jaar met leerstoornissen en/of opvoedingsmoeilijkheden. Eerder kwam je het Kasteel van Gaasbeek tegen. De grote Brabantse leeuw boven de toegangspoort, de grachten en de torens geven de burcht iets onvervalst middeleeuws, alsof er elk moment een stoere ridder te paard de poort zou uitrijden. Maar schijn bedriegt. Ooit een ridderversterking maar volledig verwoest in de 18de eeuw, herbouwde men een replica met middeleeuwse allures vanaf 1887. het is dus eigenlijk een ‘nep-middeleeuws kasteel’, maar dan wel een heel mooi! Domein Groenenberg wordt vaak in één adem genoemd met het kasteel van Gaasbeek - de twee domeinen liggen vlak naast elkaar – maar er zijn veel verschillen. Domein Gaasbeek is eeuwenoud (niet het kasteel!), domein en kasteel Groenenberg werden pas in het begin van de twintigste eeuw aangelegd en gebouwd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd kasteel Groenenberg bezet door de Duitse troepen. De Britse en Amerikaanse soldaten hielden er nadien lelijk huis. Het kasteel bleef verkommerd achter tot de Vlaamse gemeenschap het kocht in 1981 en het volledige domein renoveerde en herinrichtte volgens de oorspronkelijke plannen. Het kasteel zelf is niet toegankelijk, daar huisvesten diensten van de Vlaamse overheid. Op de terugweg ben je er zo voorbij, maar als je oplet zie je nog een spoor van de tragische molen op de Tomberg. Na je vertrek uit Schepdaal kom je een paar kilometer later een drukke weg tegen, die je oversteekt. Even later ga je rechts en op het punt waar je vervolgens links neemt, zie je de bult. Je bent nu op de top van de Tomberg; de verhoging op je linkerkant is echter door mensenhanden gemaakt. Het is geen tumulus (of tomme, grafheuvel), maar een heuveltje waar ooit een windmolen op stond. De molen stortte in 1925 in en verpletterde de molenaarsvrouw en haar dochtertje. In Eizeringen-dorp kon men maar net op tijd het schitterende kasteel de Neufcour, midden in het groen, bewaren. Decennia lang stond het te verkrotten, een schandvlek in het dorp. Het gebouw dateert van eind achttiende, begin negentiende eeuw. Vanaf 1928 in klerikale handen en gebruikt als jongenspensionaat, werd het kasteel in de Tweede Wereldoorlog beschadigd door een bom. Het gebouw bleef verweesd achter en in de jaren zeventig stortte zelfs de oostelijke vleugel in. Gelukkig ontfermde een privépersoon zich in 2005 over het gebouw. Hij kocht het pand van de zusters en startte prompt een reddingsplan. De vruchten daarvan? Die kan je plukken, al wandelend langs het kasteel en hoogstamboomgaard met streekeigen fruit...